|
Corpus Middeleeuws Aardewerk 9CERAMIEK UIT EEN BEERPUT VAN DE HERBERG DE DRYE MOOREN TE BREDA (1661-1663)
|
|
De serie: Corpus Middeleeuws Aardewerk
![]()
Het Corpus Middeleeuws Aardewerk uit gesloten vondstcomplexen in Nederland en Vlaanderen (CMA)Inleiding
Het Corpus Middeleeuws Aardewerk (CMA) bestaat inmiddels uit 13 afleveringen waarin
aardewerk wordt beschreven dat uit een gesloten - en op basis van externe gegevens scherp
gedateerde - context afkomstig is. Achtergrondidee van het CMA was en is om absolute
dateringen aan aardewerk te verbinden en op deze wijze de diverse typen aardewerk beter te
kunnen dateren. Op deze wijze kan men verwijzen naar 'harde' dateringen (van het CMA) en niet
naar publicaties waar de datering in de lucht hangt. Doel is zo exact mogelijk gedateerde
complexen op te nemen. Afhankelijk van de periode worden de normen meer of minder streng
gehanteerd. Het CMA wil niet classificeren of kwantificeren maar zo objectief mogelijk goed
gedateerd aardewerk beschrijven. Het corpus wordt uitgegeven door de Stichting Corpus
Middeleeuws Aardewerk in Nederland en Vlaanderen.
Ontstaan en opzet
In 1983 verschenen de eerste twee afleveringen van het CMA en sindsdien zijn 13 afleveringen
gepubliceerd. Gemiddeld verschijnt eenmaal per jaar een aflevering, die meestal tijdens de
Reuvensdagen wordt gepresenteerd.
Het initiatief tot het CMA ontstond binnen de werkgroep middeleeuws aardewerk die gevormd was tijdens de eerste contactdag van middeleeuwse archeologen te Amsterdam in 1975. Deze werkgroep stond voor de taak de algemene onderzoekssituatie met betrekking tot het middeleeuws aardewerk te verbeteren. In de Algemene Inleiding die in 1985 verscheen, werd de onderzoekssituatie als volgt omschreven: 'Van het middeleeuws aardewerk in de Nederlanden bestaat geen systematisch overzicht, de productiecentra zijn maar gedeeltelijk bekend, lokale of regionale aardewerkgroepen zijn nauwelijks vastgesteld, de beschrijvingen van gepubliceerd aardewerk uit opgravingen zijn niet gestandaardiseerd, technologisch onderzoek staat in de kinderschoenen of wordt in het geheel niet toegepast. Wel bestaat er over de bovengenoemde onderwerpen een uitgebreide mondelinge overlevering onder vakgenoten, maar die is lang niet altijd betrouwbaar en bovendien niet raadpleegbaar voor derden. (...) De meeste belangstelling ging uit naar de kwesties van datering en herkomst van aardewerk en naar een gestandaardiseerde wijze van documenteren.'(1) Het doel van het CMA werd als volgt omschreven: 'het bijeenbrengen van gestandaardiseerde gegevens over - door externe factoren - absoluut gedateerd aardewerk en over aardewerk uit archeologisch gesloten vondsten, teneinde op die manier te komen tot een chronologisch overzicht van aardewerktypen die gedurende de middeleeuwen in de Nederlanden in gebruik waren.' Er werd een fiche ontworpen dat gebruikt wordt bij de beschrijving van het aardewerk. Uitgangspunt is het gedegen beschrijven van scherp gedateerde ceramiek. Doelstelling is stukje bij beetje, op basis van harde gegevens, te komen tot een chronologisch overzicht van aardewerktypen. Belangrijke voorwaarde is uiteraard het gegeven dat er een constant aanbod is van scherp gedateerde gesloten complexen. In uitzonderlijke gevallen is het mogelijk om ook minder scherp gedateerde complexen op te nemen. Deze worden dan in de zogenaamde B-serie uitgegeven. Met de publicatie 'Weggegooid en teruggevonden'(2) over aardewerk en glas uit Deventer vondstcomplexen werd de aanzet gegeven tot een 'grotere typologie van Laat Middeleeuws aardewerk'. Het CMA staat los van deze typologie. Het classificatiesysteem dat hieruit is ontstaan heeft een andere opzet dan het CMA. In de 'Deventer'-typologie zijn tot nu toe beerputcomplexen opgenomen waarbij de datering en/of samenstelling geen criterium zijn voor opname. Op basis van deze typologie kunnen beerputcomplexen onderling worden vergeleken. Het CMA en de 'Deventer'-typologie hebben een verschillende opzet en doel, ze functioneren dan ook naast elkaar. Op termijn kunnen de gegevens uit het CMA gebruikt worden voor de opzet van een classificatiesysteem.
Verspreiding van de vondstcomplexen in tijd en ruimte
De vondstcomplexen die in het CMA zijn opgenomen, zijn globaal te verdelen in twee groepen: vondsten uit schepen en vondsten uit nederzettingen. De aardewerkvondsten uit schepen zijn in vijf afleveringen beschreven. Deze schepen zijn opgegraven in Flevoland. Acht vondstcomplexen zijn aangetroffen tijdens archeologisch onderzoek in Breda, Brugge, Groningen, Maastricht en Utrecht. Het vondstcomplex van Smeerenburg op Spitsbergen toont aan dat ook vondstcomplexen buiten de landsgrenzen van belang kunnen zijn voor de studie middeleeuws aardewerk in Nederland en Vlaanderen. De datering van de beschreven aardewerkvondsten ligt tussen de tiende eeuw en de late achttiende eeuw; het begrip middeleeuwen wordt dan ook ruim geïnterpreteerd (900-1800). Het oudste aardewerk is beschreven in een aflevering over tiende-eeuwse bouwpotten uit de Oude Burgkerk te Brugge (CMA 8). Uit de late dertiende eeuw (vóór 1281) dateert een vondstcomplex (CMA 4) van een immuniteitssloot van de Sint Paulusabdij te Utrecht. Twee vrachtschepen die in Oostelijk Flevoland werden opgegraven bevatten aardewerk uit de eerste helft van de veertiende eeuw en uit de tweede helft van de vijftiende eeuw (CMA 1 & 2). Uit het midden van de veertiende eeuw kon aardewerk uit Maastricht worden beschreven. De twee beerputten (CMA 11 & 12) raakten buiten gebruik tijdens de bouw van de Nicolaaskerk in 1343. In een brandlaag van 1490 in een kanunnikenhuis te Breda werd aardewerk aangetroffen dat voornamelijk bij een haardplaats in gebruik was (CMA 13). Uit de vroege vijftiende eeuw dateert verder een vondstcomplex uit een kogge die in Almere (CMA 7) werd opgegraven. Het aardewerk uit een beerput van het Johannieterklooster op het Vredenburg te Utrecht (CMA 3), dateert van vóór 1529 toen deze door een kelderboog werd afgesloten. Vier vondstcomplexen dateren in de zeventiende eeuw. Het betreft een omvangrijk vondstcomplex van de walvisvangstnederzetting Smeerenburg op Spitsbergen uit het tweede kwart van de zeventiende eeuw (CMA 6). Verder betreft het aardewerk dat in de jaren 1661-63 in een Bredase herberg werd weggegooid (CMA 9). Bovendien werd het aardewerk uit twee laat-zeventiende-eeuwse schepen beschreven. Eén schip zonk kort na 1685 (CMA 5) en het andere schip kort na 1692 (CMA 10). Het aardewerk uit een laat-achttiende eeuwse afvalkuil van het voormalige Zuiderkerkhof te
Groningen kon niet door externe bronnen worden gedateerd en werd om die reden niet in de A-serie van het CMA opgenomen. Omdat de publikatie van dit complex toch in een duidelijke
behoefte voorzag, werd besloten om het complex in een B-serie (CMA 1) op te nemen.
Nieuwe afleveringen
Bij de opzet van het CMA is gekozen voor een losbladig systeem, zodat iedereen de fiches op zijn
eigen wijze kan ordenen. Door de grootschalige toepassing van de kopieermachine is deze vorm
achterhaald. De redactie heeft dan ook besloten om nieuwe afleveringen niet meer losbladig en
enkelzijdig bedrukt maar gebonden en dubbelzijdig bedrukt uit te geven.
Noten: 1. Zie: 'Algemene Inleiding' op het Corpus Middeleeuws Aardewerk verschenen in 1983. 2. H. Clevis, J. Kottman, Weggegooid en teruggevonden. Aardewerk en glas uit Deventer
vondstcomplexen 1375-1750, (Kampen 1989). |
